Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: Faillissement

INSOLVENTIE EN INSOLVENTIE: ZOEK DE 12 VERSCHILLEN

Emma Tamsin

Wanneer u gevraagd wordt welke vormen van insolventie zich kunnen voordoen, zullen het faillissement en de collectieve schuldenregeling zowat de eerste situaties zijn waar u aan denkt.
In beide gevallen ontstaat er een situatie van samenloop nadat een rechtbank heeft vastgesteld dat een natuurlijk persoon of een vennootschap zijn of haar schuldenlast niet langer kan dragen.

Tot voor kort waren deze situaties vrij strikt gescheiden. Een handelaar kon louter een aanvraag tot het faillissement indienen, daar waar er voor een niet-handelaar de procedure van de collectieve schuldenregeling openstond.
In die weinige gevallen waarbij een persoon die was toegelaten tot de procedure van de collectieve schuldenregeling een handelsactiviteit wenste op te starten, werd dit ofwel meteen verhinderd door de arbeidsrechtbanken ofwel onder strikte voorwaarden toegelaten (bij een weinig risicovolle activiteit).

Naar aanleiding van de verschuiving binnen het recht van het begrip ‘handelaar’ naar het begrip ‘ondernemer’, vervaagt de scheiding tussen het faillissement en de collectieve schuldenregeling echter tijdelijk voor een specifieke groep. Het typevoorbeeld van deze groep is de vrij beroeper (advocaat, architect, notaris etc.), maar ook bestuurders van vennootschappen of een kinesitherapeut vallen hieronder. Hierna zal enkel verwezen worden naar de vrij beroeper als catch-all.

Waar voorheen de vrije beroepen niet als ‘handelaars’ werden aanzien, stond het faillissement voor hen dan ook niet open. Zij konden louter op de gunst van de collectieve schuldenregeling rekenen.
Thans is een vrije beroeper echter een ‘ondernemer’ en een ondernemer kan dus failliet verklaard worden.
De gevolgen hiervan zijn divers en hangen enigszins samen met een door de wetgever slecht getimede aanpassing van de verschillende begrippen in de talloze wetten die verwijzen naar het concept ‘handelaar’.

Een eerste voorbeeld kan zijn dat een vrij beroeper vanaf 1 mei 2018 werd aanzien als een ondernemer en dus, zoals aangehaald, failliet kan worden verklaard. De bepalingen rond de collectieve schuldenregeling werden echter pas met ingang van 1 november 2018 zo aangepast dat een vrij beroeper werd uitgesloten van het toepassingsgebied.
Bijgevolg was er een periode van zes maanden waarbinnen een vrij beroeper zowel aanspraak zou kunnen maken op de toelating tot de procedure van collectieve schuldenregeling, als op een aanvraag tot faillissement.
Kenners van de materie zullen snel inzien dat wanneer iemand een dergelijke keuze wordt gelaten, men zal opteren voor de meest gunstige situatie, hetgeen doorgaans het faillissement zal zijn (aangezien zeker na de recente hervormingen de gefailleerde veel beter af is dan hij die tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten).
Deze situatie was sterk in de tijd gelimiteerd en kon zich slechts gedurende zes maanden voordoen.

Een tweede voorbeeld − en enigszins problematischer – komt er op neer dat een vrij beroeper die was toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling in het ‘oude’ systeem van particulier vs handelaar plots lopende deze procedure ook in aanmerking kan komen voor de procedure van het faillissement in het nieuwe systeem van particulier vs ondernemer.

Door de aanpassing van de begrippen, ontstaat aldus schijnbaar de mogelijkheid om te ontsnappen aan het stringente systeem van de procedure van collectieve schuldenregeling en – desgevallend na boedelschulden te hebben opgebouwd – een toevlucht te nemen tot een procedure van het faillissement om zo versneld de schulden te zien wegvallen (in het geval de kwijtschelding wordt toegekend).
Strikt genomen is hier weinig op aan te merken, aangezien de mogelijkheid nu eenmaal wettelijk voorzien is.
Beide insolventieprocedures zijn evenwel onderworpen aan een specifieke eigen regelset die niet steeds met elkaar verenigbaar zijn.

Een dergelijk voorval − waarbij een vrij beroeper die eerder was toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling failliet was verklaard op diens aanvraag − werd voorgelegd aan de ondernemingsrechtbank Gent, afd. Brugge.
Hierbij diende de rechtbank zich over de vraag te buigen of het aanvragen van een faillissement binnen een dergelijke situatie neerkomt op rechtsmisbruik.
De rechtbank oordeelde weliswaar dat er inderdaad sprake is van rechtsmisbruik, maar de rechtbank liet meteen de opening om een nieuwe aangifte van faillissement te verrichten eens de collectieve schuldenregeling zou worden herroepen.
De reflex in deze moet dan ook zijn dat de procedure van collectieve schuldenregeling eerst herroepen dient te worden, om daarna een faillissement aan te vragen. De beide vermengen zal leiden tot tijdsverlies en eventueel bijkomende kosten.

Men zal evenwel de afweging moeten maken of de bescherming die de collectieve schuldenregeling biedt – met een relatief zekere kwijtschelding op het eind van een lange wachtperiode – afweegt tegen het risico op het afwijzen van een zeer snelle kwijtschelding binnen een faillissement wegens bvb. frauduleuze praktijken.
Aangezien men immers de collectieve schuldenregeling dient te verlaten vooraleer het faillissement aan te vragen, en men door de gewijzigde toelatingsvoorwaarden niet opnieuw een collectieve schuldenregeling zal kunnen aanvragen, verlaat men een relatief veilige haven zonder kans op terugkeer.
De situatie van dit tweede voorbeeld kan zich voordoen totdat de laatste vrij beroeper uit de procedure collectieve schuldenregeling stapt, hetgeen nog enige jaren kan duren.

ONTWIKKELING VAN EEN CENTRAAL REGISTER SOLVABILITEIT

Emma Tamsin

U zal het reeds gemerkt hebben, minister van Justitie Koen Geens is het juridische landschap aan het hervormen (of doet toch een verwoede poging). Eén van de nieuwigheden in het verschiet betreft het faillissement.

Los van het feit dat het faillissement an sich aan een herwerking zal onderworpen worden − waarbij bvb. een ‘stil faillissement’ in het leven wordt geroepen, en er sprake is van een ‘precurator’ die discreet te werk kan gaan – ontdekt men ook steeds meer en meer de wondere wereld van de technologie.

Tussen curatoren, de Rechtbank van Koophandel, het Parket, de griffiers en de rechter-commissarissen kan er reeds enige tijd via een digitaal platform gehandeld worden. Dit verkleint de papierberg, spaart zeer veel verplaatsingen uit, en versnelt de communicatie tussen de verschillende actoren.

Tot op heden is de schuldeiser evenwel steeds uitgesloten geweest van dit platform.

Het nieuwe Centraal Register Solvabiliteit poogt daar verandering in te brengen. Dit platform vervangt het papieren faillissementsdossier door een elektronische versie. Hoewel de wet vooralsnog louter voorziet in een bron van akten en gegevens omtrent een faillissement, lijkt het erop dat een dergelijk platform snel uitgebreid kan worden naar een handige tool voor de verschillende gebruikers.

Het is enigszins onduidelijk in hoeverre de huidige aanbieders van dergelijke (reeds tussen rechtbanken en curatoren bestaande) platformen zich zullen verhouden tot het Centraal Register Solvabiliteit, doch het valt te vermoeden dat er minstens enkele bruggen zullen worden gelegd.

Van belang voor de schuldeisers is dat ook zij toegang zullen krijgen tot het platform. Zij zullen het verloop van het faillissement kunnen volgen (wat vermoedelijk met zich meebrengt dat zij bvb. de opeenvolgende Proces-Verbalen van nazicht van schuldvorderingen zullen kunnen inkijken), én zij zullen hun aangifte van schuldvordering digitaal kunnen indienen (zoals bvb. in Nederland ook het geval is).

Het spreekt voor zich dat dit de zaken normaal gezien zal vereenvoudigen, en een aardige tijdswinst zal opleveren.

Let wel, een dergelijk platform heeft uiteraard een prijskaartje, en iemand zal de rekening moeten betalen. Daarom wordt voorzien in een retributiesysteem, waarbij het bedrag van de retributie zal variëren naargelang de hoedanigheid van de partij die toegang wenst, de wijze waarop documenten worden neergelegd, en de omvang van het actief van het faillissement.

De schuldeiser zal dus een bepaald bedrag moeten betalen om zijn schuldvordering te kunnen indienen, alsook om het faillissement op te volgen. Ook de curator zal een ‘fee’ moeten betalen om het faillissement te beheren via een dergelijk platform (wat evenwel niet verschilt van de huidige situatie).

Wanneer dit platform actief zal zijn, is evenwel nog enigszins koffiedik kijken. De wet voorziet dat een koninklijk besluit de verdere details (vorm van het register, de toegang, de werking, de retributie,…) zal regelen, dus we zijn alvast in blijde verwachting…