Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: Ondernemingsrecht

ALTERNATIEVE INVORDERINGSPROCEDURES

Emma Tamsin

De kost en duurtijd van een “gewone” gerechtelijke procedure kunnen zowel voor ondernemers als voor consumenten een reden zijn om een geschil, of onbetaald gebleven som maar ongeremedieerd te laten, zeker wanneer het gaat over geschillen met een geringe waarde, en eens te meer wanneer hun wederpartij in het buitenland gevestigd is (denk maar aan de internetkoop).
Niet alleen de Belgische, maar ook de Europese wetgever, hebben echter diverse alternatieven uitgewerkt, die zowel de ondernemer als de consument de mogelijkheid bieden om op alternatieve, en in principe eenvoudigere wijze, hun vordering te stellen.


1) INVORDERINGEN TUSSEN BELGISCHE HANDELAARS: DE IOS-PROCEDURE

De procedure voor invordering van onbetwiste geldschulden kan enkel betrekking hebben op professionele relaties. Toetsteen die hiervoor aangewend wordt, is de inschrijving in de KBO.
Daarnaast kan deze procedure enkel aangewend worden voor facturen die in het verleden nooit geprotesteerd zijn. Is de factuur geprotesteerd, dan kan enkel een “gewone” gerechtelijke procedure opgestart worden.

De advocaat vervult de functie van eerste rechter: na een controle of de vordering voldoet aan de vereisten van de wet (met name of de vordering vaststaand en opeisbaar is en de interesten en schadebeding correct berekend zijn), instrueert hij de gerechtsdeurwaarder, die zal overgaan tot betekening van de aanmaning tot betaling.
Eens de betekening van de aanmaning gebeurd is, heeft de schuldenaar één maand om te reageren. In een best-case scenario, gaat hij alsnog over tot onmiddellijke betaling, doch evenzeer kan hij met de deurwaarder een afbetalingsplan overeen te komen.
Als de schuldenaar de schuld binnen de termijn van één maand betwist, moet de gerechtsdeurwaarder het dossier opnieuw overmaken aan de advocaat, die dan in overleg met zijn opdrachtgever zal dienen te beslissen of hij alsnog overgaat tot dagvaarding (en dus opstarting van een “gewone procedure”).
Laat de schuldenaar echter in het geheel na om te reageren op de betekening, dan zal de gerechtsdeurwaarder ten vroegste acht dagen na het verlopen van de termijn van één maand, een proces-verbaal van niet-betwisting opmaken.
Dit “proces-verbaal van niet-betwisting” vormt een uitvoerbare titel (net zoals een vonnis) en op basis van deze akte kan men overgaan tot gedwongen uitvoering. Voor de schuldenaar staat wel nog steeds de mogelijkheid van verzet open tegen de uitvoerbare titel.

Er dient ten slotte nog op gewezen dat de schuldeiser steeds de keuze behoudt tussen de “gewone” gerechtelijke procedure en de IOS-procedure voor de invordering van niet-betwiste geldschulden.


2) INVORDERINGEN TEN AANZIEN VAN HANDELAARS IN HET BUITENLAND: EUROPESE BETALINGSBEVELPROCEDURE

Is de schuldenaar gevestigd in het buitenland, dan kan de (nationale) IOS-procedure niet aangewend worden, maar er bestaat wel een “gelijkaardige” Europese procedure, met name het Europese Betalingsbevel.

Opnieuw moet het gaan over een vaststaande en opeisbare schuldvordering tussen handelaars, die geen voorwerp van betwisting uitmaakt.
De (eenzijdige) procedure wordt gevoerd d.m.v. een reeks standaardformulieren (A t.e.m. G) en vangt aan wanneer de eiser door middel van formulier A een verzoek indient bij de Rechtbank die volgens hem bevoegd zou zijn indien een gerechtelijke procedure zou ontstaan. (Dit kan een Belgische rechtbank zijn, maar ook een buitenlandse – men mag rechtstreeks het buitenlandse gerecht aanschrijven, maar dat moet wel in de taal van het gerecht).
De rechter doet een prima facie onderzoek naar haar bevoegdheid en ontvankelijkheid/gegrondheid van de vordering en kan dan beslissen:
-          Dat er nog aanvullingen/correcties moeten gebeuren, of
-          Om het verzoek te verwerpen, of
-          Om het betalingsbevel uit te vaardigen
In het laatste geval worden zowel de eiser als de schuldenaar verwittigd door de Rechtbank, waarna de schuldenaar nog 30 dagen heeft om verzet aan te tekenen.
Doet hij dit, dan kan de eiser ervoor opteren om de procedure om te zetten in een “gewone” procedure, of hij kan afzien van zijn vordering.

Wordt er geen verzet aangetekend, dan wordt het Europees Betalingsbevel uitvoerbaar verklaard en kan het in principe niet meer betwist worden. De deurwaarder kan dan overgaan tot gedwongen tenuitvoering.


3) VOOR HANDELAARS ÉN CONSUMENTEN IN BEPERKTE GESCHILLEN: EUROPESE PROCEDURE VOOR GERINGE VORDERINGEN

Ook deze “alternatieve” procedure is beschikbaar voor grensoverschrijdende invorderingen, doch is enerzijds beperkter en anderzijds uitgebreider dan het Europees Betalingsbevel.
De procedure heeft een beperkter toepassingsveld in die zin dat zij gelimiteerd is tot vorderingen met een maximuminzet van 5.000 EUR.
Zij is echter uitgebreider doordat zij niet enkel toepasselijk is voor vaststaande, opeisbare en niet betwiste schuldvorderingen tussen handelaars, maar op alle burgerlijke en handelsrechtelijke geschillen.

Gelijkaardig aan de Europese betalingsbevelprocedure wordt er gewerkt met standaardformulieren, en moet het gerecht aangezocht worden dat in principe bevoegd zou zijn als een “gewone” procedure zou gevoerd worden, doch opnieuw kan een Belgische onderneming of consument rechtstreeks het buitenlandse gerecht aanspreken.
De eiser dient een formulier A in, dat door de Rechtbank tesamen met een antwoordformulier wordt verzonden aan de verweerder. Die laatste kan binnen de 30 dagen repliceren, waarna de rechtbank het antwoord ook toezendt aan de eiser.
Daarna heeft de rechtbank opnieuw 30 dagen de tijd om een beslissing te nemen, welke kan zijn:
-          Dat nadere gegevens moeten verstrekt worden, of
-          Dat het nodig is om partijen te horen (dit kan eventueel via videoconferentie), of
-          Dat de vordering wordt toegekend of afgewezen

Deze beslissing is zonder verdere formaliteiten uitvoerbaar bij voorraad, al dient aangestipt dat in sommige gevallen (afhankelijk van het land waar de procedure gevoerd wordt) een hoger beroep tegen deze beslissing open staat.


BESLUIT

De opgesomde procedures vormen allen alternatieven voor de “gewone” gerechtelijke procedure en kunnen in sommige gevallen zeer nuttige en kosten- en tijdbesparende opties zijn voor de rechtszoekende.
Er blijven echter wel nog steeds bepaalde formele vereisten en juridische complexiteiten (bijvoorbeeld in sommige gevallen: het bepalen van de bevoegde rechter), waarvoor de tussenkomst en/of het advies van een advocaat nuttig (en soms zelfs vereist) blijft. Aangezien de tussenkomst doorgaans echter beperkt blijft, zijn de kosten uiteraard ook navenant.

MELIS advocaten heeft ervaring met alle opgesomde procedures, en kan u dan ook steeds bijstaan.

 

ONTWIKKELING VAN EEN CENTRAAL REGISTER SOLVABILITEIT

Emma Tamsin

U zal het reeds gemerkt hebben, minister van Justitie Koen Geens is het juridische landschap aan het hervormen (of doet toch een verwoede poging). Eén van de nieuwigheden in het verschiet betreft het faillissement.

Los van het feit dat het faillissement an sich aan een herwerking zal onderworpen worden − waarbij bvb. een ‘stil faillissement’ in het leven wordt geroepen, en er sprake is van een ‘precurator’ die discreet te werk kan gaan – ontdekt men ook steeds meer en meer de wondere wereld van de technologie.

Tussen curatoren, de Rechtbank van Koophandel, het Parket, de griffiers en de rechter-commissarissen kan er reeds enige tijd via een digitaal platform gehandeld worden. Dit verkleint de papierberg, spaart zeer veel verplaatsingen uit, en versnelt de communicatie tussen de verschillende actoren.

Tot op heden is de schuldeiser evenwel steeds uitgesloten geweest van dit platform.

Het nieuwe Centraal Register Solvabiliteit poogt daar verandering in te brengen. Dit platform vervangt het papieren faillissementsdossier door een elektronische versie. Hoewel de wet vooralsnog louter voorziet in een bron van akten en gegevens omtrent een faillissement, lijkt het erop dat een dergelijk platform snel uitgebreid kan worden naar een handige tool voor de verschillende gebruikers.

Het is enigszins onduidelijk in hoeverre de huidige aanbieders van dergelijke (reeds tussen rechtbanken en curatoren bestaande) platformen zich zullen verhouden tot het Centraal Register Solvabiliteit, doch het valt te vermoeden dat er minstens enkele bruggen zullen worden gelegd.

Van belang voor de schuldeisers is dat ook zij toegang zullen krijgen tot het platform. Zij zullen het verloop van het faillissement kunnen volgen (wat vermoedelijk met zich meebrengt dat zij bvb. de opeenvolgende Proces-Verbalen van nazicht van schuldvorderingen zullen kunnen inkijken), én zij zullen hun aangifte van schuldvordering digitaal kunnen indienen (zoals bvb. in Nederland ook het geval is).

Het spreekt voor zich dat dit de zaken normaal gezien zal vereenvoudigen, en een aardige tijdswinst zal opleveren.

Let wel, een dergelijk platform heeft uiteraard een prijskaartje, en iemand zal de rekening moeten betalen. Daarom wordt voorzien in een retributiesysteem, waarbij het bedrag van de retributie zal variëren naargelang de hoedanigheid van de partij die toegang wenst, de wijze waarop documenten worden neergelegd, en de omvang van het actief van het faillissement.

De schuldeiser zal dus een bepaald bedrag moeten betalen om zijn schuldvordering te kunnen indienen, alsook om het faillissement op te volgen. Ook de curator zal een ‘fee’ moeten betalen om het faillissement te beheren via een dergelijk platform (wat evenwel niet verschilt van de huidige situatie).

Wanneer dit platform actief zal zijn, is evenwel nog enigszins koffiedik kijken. De wet voorziet dat een koninklijk besluit de verdere details (vorm van het register, de toegang, de werking, de retributie,…) zal regelen, dus we zijn alvast in blijde verwachting…

REGELGEVING HANDELSHUUR AANGEPAST AAN POP-UPS

Emma Tamsin

De Handelshuurwet van 30 april 1951 is van dwingend recht. Dit betekent dat partijen er niet ten nadele van de beschermde partij (de huurder) van mogen afwijken, tenzij waar de wet hen dit toelaat.
Eén van de hoekstenen van deze regelgeving is dat een handelshuur nooit korter mag zijn dan 9 jaar.
Ook deze bepaling is van dwingend recht, zodat partijen ze niet zomaar kunnen uitsluiten: wordt een huur voor kortere duur afgesloten, dan wordt deze periode van rechtswege verlengd tot 9 jaar.
Een huurder kan de overeenkomst weliswaar vroegtijdig beëindigen, doch enkel na afloop van elke periode van 3 jaar, mits hij minstens 6 maanden tevoren opzegt.

Het fenomeen van pop-up winkels deed vaststellen dat de Handelshuurwet niet voldoende aangepast was aan maatschappelijke ontwikkelingen. Want hoe kan men slechts voor een paar dagen/weken/maanden huren indien de overeenkomst in principe steeds automatisch naar 9 jaar verlengd wordt en de huurder pas na 2,5 jaar kosteloos kan opzeggen?
Waar partijen onderling een kortere duur overeenkwamen en niemand daar finaal een probleem van maakte, deden zich uiteraard geen problemen voor: partijen kunnen immers steeds onderling overeenkomen om de overeenkomst voortijdig kosteloos te ontbinden.
Doch indien één van partijen daarmee niet akkoord ging, diende er enigszins “juridisch gebricoleerd” te worden om de regelgeving te doen uitsluiten.

Er werd gepoogd om hard te maken dat de pop-up huur viel onder de “uitzonderingen” van de wet. De handelshuurwet bepaalt immers dat zij (onder andere) niet van toepassing is op de huur die, “wegens die aard of de bestemming van het goed of volgens de gebruiken, normaal wordt toegestaan voor minder dan een jaar”.
Traditioneel werd dit artikel bijvoorbeeld aangewend voor seizoensverhuur (aan de kust of in toeristische centra) en deze bepaling werd dan ook aangewend voor pop-ups nu het in deze sector inderdaad “normaal is dat de huur wordt toegestaan voor minder dan een jaar”.
Het was echter niet zeker dat iedere rechter met deze argumentatie zou instemmen en alleszins moest elk geval in concreto onderzocht worden, of daadwerkelijk sprake was van een uitzonderingssituatie.

Een andere oplossing bestond eruit dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst ook onmiddellijk een verklaring aflegden bij notaris of vrederechter dat zij daadwerkelijk wilden afwijken van de negenjarige duur. Zulks bood wél een garantie voor toepassing van de kortere duur, maar hield uiteraard extra administratieve rompslomp in.

De (Vlaamse) wetgever is tegemoetgekomen aan het gebrek van een degelijk wettelijk kader voor pop-up huren en heeft op 17 juni 2016 het Decreet houdende huur van korte duur voor handel en ambacht geïntroduceerd.
Dit decreet is in werking getreden op 1 september 2016 en is van toepassing wanneer aan de volgende 5 voorwaarden is voldaan:

- de huurovereenkomst moet betrekking hebben op de huur van onroerende goederen of een gedeelte daarvan;
- deze vertrekken zijn bestemd voor het uitoefenen van een kleinhandel of het gebruik van een ambachtsman;
- de overeenkomst moet uitdrukkelijk voor dit doel aangegaan worden;
- er moet een rechtstreeks contact zijn met het publiek;
- de overeenkomst wordt gesloten voor een huurperiode van maximum 1 jaar.

Het grote verschil met de regelgeving in de handelshuurwet is uiteraard de duurtijd van deze overeenkomsten.
Ten eerste moeten zij steeds minder dan één jaar bedragen en ten tweede eindigen dergelijke overeenkomsten steeds van rechtswege op hun einddatum, zonder opzegging en zonder recht op huurhernieuwing. Een voortijdige opzegging door de huurder is mogelijk mits inachtneming van een opzegtermijn van een maand.

De huurovereenkomst kan wel meerdere keren worden verlengd, doch zulks enkel schriftelijk (dus niet mondeling of stilzwijgend) en zonder dat de totale duurtijd (initiële duur + verlenging) langer dan een jaar mag zijn.

De huurprijs wordt geacht alle belastingen in te houden die van toepassing zijn op het onroerend goed, maar andere kosten zoals gas en elektriciteit komen in principe  ten laste van de huurder.

Overdracht van huur en onderhuur zijn verboden maar partijen kunnen hiervan, mits gezamenlijk akkoord, afwijken. Bij overdracht van het pand, kan de nieuwe verhuurder de huurder niet uitzetten, maar omgekeerd maakt de huurder vanzelfsprekend geen aanspraak op een uitzettingsvergoeding bij het einde van de huur.

Deze nieuwe regelgeving is enkel van toepassing in Vlaanderen. Voorlopig blijven huren van korte duur in Brussel en Wallonië onder de federale Handelshuurregelgeving vallen.