Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: Rechtspraak

UPDATE 3: VRACHTBEURSFRAUDE - EERSTE VEROORDELING VAN EEN VRACHTBEURSBEHEERDER

Emma Tamsin

In ons artikel van 7 april 2016 werd reeds gewezen op de gevaren van identiteitsfraude op digitale vrachtbeurzen.
Daarbij werd ook aangegeven dat, wanneer zo’n “vrachtbeursfraude” zich in de praktijk heeft voorgedaan, het niet evident is om de schade te verhalen op de vrachtbeursbeheerder nu deze op diverse vlakken bescherming geniet.
In Frankrijk is een bedrogen vervoerder er uiteindelijk dan tóch in geslaagd om een vrachtbeursbeheerder te doen veroordelen wegens onvoldoende controle van de identiteit van (een van) de gebruikers van het platform.
 

De feiten

Het Hof van Beroep te Lyon diende zich te buigen over de kwestieuze zaak, waarbij een Franse vervoerder via het online platform in contact was gekomen met een Hongaarse ondervervoerder. Nadat deze laatste met de lading was verdwenen, moest de expert vaststellen dat de documenten overgemaakt door deze frauduleuze Hongaarse vervoerder aan de vrachtbeursbeheerder fake bleken en in het bijzonder het telefoonnummer manifest vals was.
 

Argumenten van partijen

De vervoerder sprak de vrachtbeursbeheerder aan voor de schade n.a.v. deze identiteitsfraude nu de vervoerder van oordeel was dat de vrachtbeursbeheerder haar controleplicht niet was nagekomen.
Immers, in het contract gesloten tussen de vervoerder en de vrachtbeursbeheerder was bepaald dat de vrachtbeursbeheerder er zich toe verbond om de toegang tot het platform slechts toe te staan aan ondernemingen waarvan zij verschillende elementen had gecontroleerd (transportvergunning en andere wettelijke stukken, telefoonnummer, e-mailadres, maatschappelijke zetel).
Nu in casu de gegevens van de Hongaarse vervoerder niet correct waren gecontroleerd (zij bleken immers vals te zijn), had de vrachtbeursbeheerder volgens de vervoerder haar contractuele verplichtingen niet voldaan.

De vrachtbeursbeheerder verweerde zich, verwijzend naar een ander artikel van dezelfde overeenkomst, waarin bepaald was dat de vrachtbeursbeheerder slechts een middelenverbintenis had om vervoerders in contact te brengen, waarbij de uitwisseling van documenten enkel tussen hen onderling plaatsvindt.
Bovendien argumenteerde de vrachtbeursbeheerder dat de algemene voorwaarden bepaalden dat de vervoerder steeds zelf gehouden is om de documenten uitgaande van een andere gebruiker van het platform te controleren.
 

Oordeel van het Hof

 Het Hof oordeelt dat de vrachtbeursbeheerder zich klaar en duidelijk had verbonden tot het opvragen en controleren van bepaalde documenten en informatieve elementen, en dat deze concrete diensten ook inbegrepen waren in de prijs aangerekend aan de gebruikers (men gaat aldus tegen betaling een verbintenis tot controle van de identiteit van de gebruikers aan).
Deze verbintenis, die uitdrukkelijk is bedongen in de kaderovereenkomst, moet, aldus het Hof, los gezien worden van de (middelen)verbintenis om vervoerders in contact te brengen en zij is niet in strijd met de verplichting van de vervoerder om de documenten van andere gebruikers te controleren.

Waar de vrachtbeursbeheerder zich ertoe had verbonden om enkel toegang tot het platform te verlenen aan vervoerders van wie zij alle gegevens had gecontroleerd, moet zij op zijn minst kunnen aantonen deze gegevens effectief gecontroleerd te hebben.
In casu kon de vrachtbeursbeheerder dergelijk bewijs niet voorleggen: er bestond blijkbaar enkel een “verificatiefiche” waarop louter, zonder meer, was aangevinkt dat de onderneming gecontroleerd was, doch er werd niet verduidelijkt op welke wijze dat dan wel zou gebeurd zijn.
Eén en ander was in deze zaak des te frappanter nu in dezelfde fiche was aangevinkt dat het telefoonnummer “bereikbaar” was, terwijl de expert inzake had ontdekt dat het vermelde nummer manifest vals was.

Door de documenten en identificatiegegevens (in het bijzonder het telefoonnummer) van de Hongaarse vervoerder niet te controleren heeft de vrachtbeursbeheerder volgens het Hof niet voldaan aan haar verplichting tot de aan de toegang voorafgaande controle van de onderneming, waardoor een valse vervoerder zich toegang tot het platform heeft kunnen verschaffen en de schade is kunnen ontstaan. De vrachtbeursbeheerder wordt dan ook veroordeeld tot vrijwaring van de bedrogen hoofdvervoerder.
 

Bedenkingen

Met deze uitspraak wordt voor de eerste keer een vrachtbeursbeheerder veroordeeld tot vrijwaring van een gelaedeerde hoofdvervoerder. In die zin is de uitspraak dan ook uiteraard significant.
Bijzonder interessant is dat het Hof oordeelde dat hoewel de vrachtbeursbeheerder in principe slechts vervoerders in contact stelt met elkaar, dit niet wegneemt dat de vrachtbeursbeheerder nog bijkomende verbintenissen op zich kan nemen (zoals de controle van gegevens van gebruikers), waarbij zij wél kan aangesproken worden indien blijkt dat deze controles in realiteit niet of niet correct plaatsvonden.

Deze redenering zet wellicht ook de bescherming van de vrachtbeursbeheerder als online-dienstverlener buitenspel (cfr. artikel 7 april 2016) nu in deze optiek de vrachtbeursbeheerder niet louter passief is maar effectief een actieve verplichting tot opvraging en verificatie op zich neemt.

Enkel moet bij deze uitspraak de bedenking gemaakt worden dat het Hof voor een groot stuk tot haar besluit kwam op basis van specifieke feitelijkheden eigen aan deze zaak, met name de contractuele bepalingen en de vaststellingen van de expert inzake de valsheid van het telefoonnummer. Het arrest zet dan ook geen “algemene regelen” uit inzake de aansprakelijkheid van vrachtbeursbeheerders, doch het is duidelijk dat een stevige barst is ontstaan in hun vermeende onaantastbaarheid.

EEN SCHRIFTELIJKE VORDERING VERSTUURD VOOR AANVANG VAN DE VERJARING SCHORST (TOCH)...

Emma Tamsin

Reeds 20 jaar hielden de Antwerpse rechtbanken en Hoven de redenering aan dat een schriftelijke vordering verstuurd voor aanvang van de verjaring, geen schorsende werking kon hebben (net zo min als een stuiting voor aanvang van de termijn enige uitwerking kon krijgen).

Zulks werd voor het eerst bevestigd in een vonnis van de Antwerpse rechtbank van Koophandel van 22 december 1995 (gepubliceerd in RHA. 1996, p. 235).
Een schriftelijke vordering die ingediend wordt voordat de goederen krachtens art. 20, § 1 CMR als verloren mogen worden beschouwd en dus voordat de verjaring volgens art. 32, § 1, b CMR is beginnen te lopen, schorst de verjaring niet.”

De Rechtbank baseerde zich op een bedenking die Meester Libouton nog vele jaren eerder had gemaakt:
"On peut s’étonner de voir suspendue une prescription qui n’a pas encore commencé à courir" (gepubliceerd in J.T. 1972, p. 404, nr. 89, voetnoot 17).

Nadien bevestigde de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen deze zienswijze meermaals, onder andere bij vonnis van 30 januari 1998, (gepubliceerd in T.B.H. 1998, 771) en bij vonnis van 16 mei 2003 (gepubliceerd in ETL 2003, 360).

Ook het Antwerpse Hof heeft zich reeds meermaals over de kwestie moeten buigen en trad de Rechtbank van Koophandel bij, zowel in gevallen van schorsing van de verjaring (arrest van 24 oktober 2005 – gepubliceerd in RHA 2007, 343) als in gevallen van stuiting van de verjaring (arrest 4 mei 2009, niet gepubliceerd).

Echter, in haar arrest d.d. 23 maart 2015 (gepubliceerd in TBH 2015, afl. 5, 477) heeft het Hof van Beroep van Antwerpen deze rechtspraak kennelijk verlaten en geoordeeld dat, indien een schorsingsdaad plaatsvindt vooraleer de verjaring effectief was aangevangen, de schorsing zelf een aanvang neemt op het ogenblik dat de verjaringstermijn aanvangt, zodat de verjaringstermijn aldus ab initio geschorst is.

Het Hof van Cassatie heeft nu bij arrest van 12 mei 2016 deze stellingname onderschreven op basis van de volgende overweging:
Uit [art. 32.2 CMR] kan niet worden afgeleid dat een schriftelijke vordering die werd ingesteld voordat de verjaring is beginnen lopen, geen schorsende werking heeft, met dien verstande dat deze schorsing slechts uitwerking krijgt vanaf het ogenblik dat de verjaringstermijn een aanvang neemt. Er anders over oordelen zou het vertrouwen verschalken van de ladingbelanghebbende die na het schadegeval zonder verwijl een schriftelijke vordering heeft ingesteld voordat de verjaring is beginnen verlopen.

Of “het verschalken” van het vertrouwen van de ladingbelanghebbende een juridische redenering is, valt te betwijfelen. (Iedereen wordt geacht de wet te kennen, behalve de ladingbelanghebbenden?)
Tegelijkertijd roept deze redenering ook nieuwe vragen op.
Wat immers indien de vordering een poos later maar nog steeds voor de aanvang van de verjaringstermijn zou zijn afgewezen?
Loopt er dan alsnog een schorsing van de termijn na aanvang van de verjaringstermijn, of krijgt de schorsing dan toch geen uitwerking?
Of er met deze uitspraak meer rechtszekerheid is gecreëerd, is dan ook ten zeerste de vraag.

(UITGEBREID) RETENTIERECHT ALS ZEKERHEID TOT HET BEKOMEN VAN BETALING

Emma Tamsin

Eigen aan het vervoer en de logistieke behandeling van goederen is dat de verschillende actoren, die nochtans vaak niet onaanzienlijke kosten en uitgaven uitstellen, slechts over een “vluchtig” recht op de aan hen toevertrouwde goederen beschikken.
Aldus ontstaat de noodzaak om in zekerheden te voorzien, dit met het oog op de rechtszekerheid en de bescherming voor deze partijen.

Een voorbeeld van een dergelijke zekerheid is het retentierecht, dat aan de schuldeiser het recht verleent de afgifte van goederen die een ander toebehoren, te weigeren zolang de schuldvordering met betrekking tot die goederen niet voldaan is.

De rechtspraak aanvaardt deze vorm van eigenrichting voor zover er aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(1) Vooreerst dient de schuldeiser/retentor over een opeisbare vordering ten aanzien van de schuldenaar beschikken.
(2) Ten tweede dient de schuldeiser/retentor het weerhouden goed onder zich te hebben: men kan immers niets weerhouden wat men niet bezit.
(3) Ten derde dient er een samenhang te zijn tussen de schuldvordering van de schuldeiser/retentor en het weerhouden goed.
(4) Ten vierde en tot slot, is er de vereiste van de goede trouw om na te gaan of de schuldeiser/retentor wel op een geoorloofde wijze in het bezit is gekomen van het weerhouden goed. Evident is dit niet het geval als hij bijvoorbeeld het goed ontvreemd heeft.

Bovendien is dit retentierecht tegenstelbaar (en dus afdwingbaar) aan de schuldeisers van de schuldenaar en aan de curator in het geval van faillissement van de schuldenaar.
De Belgische rechtspraak aanvaardt eveneens dat het retentierecht kan ingeroepen worden tegen de ware eigenaar van de goederen op voorwaarde dat de schuldeiser/retentor er van mocht uitgaan dat de partij die hem de goederen toevertrouwde de eigenaar ervan was, minstens over de bevoegdheid beschikte tot het sluiten van de overeenkomst waarop het retentierecht is gesteund.
De ware eigenaar dient aldus de gevolgen te dragen van de door hem aan de schuldenaar verleende contractsbevoegdheid.

Voor wat betreft de vervoerde goederen waarop de concrete vordering slaat, voorziet de wet uitdrukkelijk in een voorrecht, met name art. 20, 7° van de Belgische hypotheekwet dat het volgende voorziet:

Artikel 20. De schuldvorderingen, op bepaalde roerende goederen bevoorrecht, zijn

7° de vrachtkosten en bijkomende kosten, op het vervoerde goed, zolang de vervoerder dit onder zich heeft, en gedurende 24 uren die volgen op de aflevering aan de eigenaar of aan de geadresseerde, mits dezen in het bezit ervan gebleven zijn.

Verder is er art. 13, lid 2 CMR dat het volgende stipuleert:

2. De geadresseerde, die gebruik maakt van de rechten, die hem ingevolge het eerste lid van dit artikel zijn toegekend, is gehouden de volgens de vrachtbrief verschuldigde bedragen te betalen. In geval van geschil ter zake is de vervoerder niet verplicht om de goederen af te leveren dan tegen zekerheidstelling door de geadresseerde.

Op basis van deze tekst is de vervoerder aldus niet verplicht om de goederen af te geven en beschikt hij dus over een retentierecht dat slechts moet opgegeven worden wanneer er een (afdoende) zekerheidstelling door de geadresseerde wordt verschaft.
Echter moet benadrukt worden dat dit (wettelijk) retentierecht louter slaat op de schuldvordering die betrekking heeft op de goederen die men onder zich heeft (in regel de goederen van het laatste transport).
Voor oudere schuldvorderingen die verband houden op andere goederen (voorwerp van eerdere transporten en die in regel reeds ter bestemming zijn afgeleverd) kan de vervoerder in regel geen retentierecht meer uitoefenen.

Om hieraan te verhelpen voorziet menig vervoerder (in zijn algemene voorwaarden) in een zogenaamd conventioneel verlengd retentierecht.
Een dergelijke clausule stipuleert dan dat het retentierecht kan worden uitgeoefend op alle goederen die de vervoerder onder zich heeft en dit tot dekking van alle sommen die zijn schuldenaar verschuldigd is of verschuldigd zal zijn.
Aldus dienen de goederen ook tot zekerheid van schuldvorderingen uit hoofde van eerder uitgevoerde transporten (waarvan de goederen al zijn afgeleverd).

Zulk een clausule, die haar oorsprong vond in havengerelateerde goederenbehandeling, wordt door de Belgische rechtspraak als rechtsgeldig aanvaard mits het kan gesitueerd worden in een ruimere economische realiteit.
Dienaangaande kan verwezen worden naar een arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen d.d. 15 maart 2004, waarin geoordeeld werd dat een conventioneel beding met uitbreiding van het retentierecht kan gelden wanneer dit kadert in een ruimere economische samenhang tussen de vordering en het voorwerp waarop het retentierecht wordt uitgeoefend. Zulks is, aldus het Hof, het geval bij goederenbehandeling in de haven die kadert in regelmatige handelsbetrekkingen tussen partijen. Bovendien kan dergelijk conventioneel uitgebreid retentierecht ook tegengesteld worden aan derden, waaronder de verkoper van de goederen.

Dit arrest werd later in het arrest d.d. 27 april 2006 van het Hof van Cassatie bevestigd.

DE DIRECTE VORDERING VAN DE VERVOERDER ONDER FRANS RECHT: EN DE BUITENLANDSE VERVOERDER?

Emma Tamsin

Artikel L.132-8 van de Franse Code de Commerce (zgn. Loi Gayssot) bepaalt dat “de vrachtbrief een contract vormt tussen de afzender, de vervoerder en de bestemmeling of tussen de afzender, de bestemmeling, de commissionair en de vervoerder. De vervoerder heeft aldus een directe vordering tot betaling van zijn prestaties ten aanzien van de afzender en de bestemmeling die garant staan voor de betaling van de vrachtprijs. Elke hiermee tegenstrijdige clausule wordt voor niet geschreven gehouden”.

Deze bepaling laat de vervoerder dus toe om – los van de vraag door wie de vervoerder nu al dan niet daadwerkelijk werd beöpdracht – zowel de afzender als de bestemmeling aan te spreken in betaling van de vrachtprijs.

Het feit dat de afzender dan wel de bestemmeling hun contractant tot het uitvoeren van het transport reeds zouden vergoed hebben, staat deze vordering niet in de weg, wat natuurlijk een bijzonder risico inhoudt voor de afzender en de bestemmeling.

Een vraag die hierbij rijst is wie op deze bepaling een beroep kan doen en zich aldus een directe vordering ten aanzien van de afzender dan wel bestemmeling kan veroorloven; het artikel zelf spreekt namelijk louter van “le voiturier” zonder meer zodat de rechtspraak invulling diende te geven aan dit begrip.

Onbetwist is dat de effectieve vervoerder, i.e. diegene die daadwerkelijk het transport van   de goederen heeft verricht zich op deze bepaling kan beroepen, maar wat met de overige tussenkomende vervoerders (hoofdvervoerder of de commissionair- vervoerder) die het effectieve transport hadden uitbesteed aan de derde (effectieve) vervoerder?

Reeds in een arrest d.d. 22 januari 2008 diende het Franse Hof van Cassatie zich over deze problematiek uit te spreken.
In deze zaak had de afzender opdracht gegeven aan een vervoerder, die op zijn beurt diverse ondervervoerders had aangesteld. De afzender ging failliet en de hoofdvervoerder, die de ondervervoerders had betaald, wendde zich naar de bestemmeling, argumenterende dat hij in de rechten van de effectieve vervoerders was getreden.
Door het Hof van Cassatie werd echter geoordeeld dat de betalingsgarantie vervat in art. L. 132-8 du code de commerce exclusief toekomt aan de effectieve vervoerder.

In een zaak waarin het Hof van Cassatie per arrest van 18 maart 2014 moet oordelen, had de hoofdvervoerder een andere invalshoek uitgeprobeerd.
Ook hier had de hoofdvervoerder zijn ondervervoerders betaald, en werd zijn eigen vordering ten aanzien van zijn opdrachtgever oninbaar door faling van de afzender. Zich beroepend op art. L132-8 wendde de hoofdvervoerder zicht naar de bestemmeling, ditmaal argumenterende dat de opdrachtgever eigenlijk had verboden om het transport verder uit te besteden zodat de voorwaarden niet vervuld waren om de kwestieuze vervoerder als een hoofdvervoerder/commissionair-vervoerder te kwalificeren en hij dus wel degelijk een beroep kon doen op art. L132-8.
Ook deze originele zienswijze werd door het Hof van Cassatie echter afgewezen: het feit dat de opdrachtgever geen toestemming zou hebben verleend tot het verder uit handen geven van het transport aan een onderaannemer, leidt er volgens het Hof niet toe dat de contractuele vervoerder geen commissionair-vervoerder meer zou en dienvolgens een beroep zou kunnen doen op artikel L.132-8 Code du Commerce.

Op basis van deze rechtspraak komt aldus vast te staan dat alleen de effectieve vervoerder zich kan beroepen op artikel L.132-8 Code du Commerce en dit standpunt wordt sindsdien door de lagere rechtbanken grosso modo gevolgd.

Stelt zich thans de vraag in hoeverre de (effectieve) buitenlandse vervoerder (bv. de Belgische) zich op deze voor de vervoerder gunstige bepaling van artikel L.132-8 Code du Commerce kan beroepen.

Deze bepaling maakt deel uit van het Franse nationale recht zodat moet onderzocht worden in welke gevallen het Franse recht van toepassing kan zijn. Dergelijk onderzoek moet gevoerd worden op basis van Europese Verordening (EG) Nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I- verordening).
Voor vervoerovereenkomsten geldt art. 5, lid 1 van de Rome I verordening. Volgens dit artikel kan het Franse recht van toepassing zijn als:

- Partijen hiervoor rechtskeuze hebben gedaan of
- Frankrijk het land is waar de vervoerder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de plaats van ontvangst of de plaats van aflevering of de gewone verblijfplaats van de verzender ook in dat land is gelegen.
- Indien niet aan de voorgaande voorwaarden is voldaan, Frankrijk het land is waar de plaats van aflevering, als door de partijen overeengekomen, is gelegen.”

M.a.w. pas wanneer de plaats van inlading en de zetel van de verzender zich in een ander land bevinden dan de hoofdvestiging van de vervoerder en de plaats van aflevering zich in Frankrijk situeert, zal alsnog Frans recht en dus artikel L.132-8 Code du Commerce toepassing kunnen vinden.

GEVOLGSCHADE IN BEPERKTE MATE OOK VERHAALBAAR OP WEGVERVOERDER

Emma Tamsin

Op 23 januari 2014 heeft het Hof van Cassatie een belangwekkend arrest uitgesproken dat zeer belangrijke consequenties kan hebben voor wegvervoerders, wanneer zij schade veroorzaken aan andere goederen dan de vervoerde goederen.

Het desbetreffende arrest kunt u hier terugvinden.

 

De feiten die aan de grondslag lagen van deze procedure waren kort geschetst de volgende:

Suikerraffinaderij T.S. gaf in november 1999 aan de transportonderneming D.D. opdracht tot vervoer van diverse partijen suiker van Genappe naar Antwerpen.

Volgens de instructies van de suikerraffinaderij mochten alleen tankwagens worden gebruikt die geschikt waren voor het vervoer van voedingswaren.

De chauffeur loste de lading van 28.540 kg suiker onder dekking van een reinigingscertificaat in de vlaksilo bij de bestemmeling, waarin reeds suiker van verschillende producenten was opgeslagen.

Bij het einde van de lossing (en dus nadat de kwestieuze lading vermengd was met de suiker reeds aanwezig in de vlaksilo van de bestemmeling) werd contaminatie van de suiker door mestkorrels vastgesteld.

Een gerechtelijke expertise wees uit dat deze korrels afkomstig waren van een eerder transport uitgevoerd door de vervoerder met dezelfde silowagen.

Door deze bezoedeling werd de meer dan 4.000.000 kg suiker aanwezig in de vlaksilo van de bestemmeling ongeschikt bevonden voor menselijk gebruik door de Algemene Eetwareninspectie.

De schade werd begroot op 653.808,98 EUR uit hoofde van de contaminatie van 4.417.854 kg suiker en op 122.435,60 EUR uit hoofde van door de bestemmeling aangerekende kosten, bedragen waarvoor de suikerraffinaderij en haar verzekeraars de vervoerders in rechte aanspraken voor de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen.

 

Argumentatie van de vervoerder:

De vervoerder stelde dat de omvang van de goederenschade overeenkomstig art. 23, lid 1 CMR diende beperkt te worden tot de waarde van de vervoerde goederen, minstens dat de omvang van de schade overeenkomstig art. 23, lid 3 CMR diende te worden beperkt op basis van het gewicht van deze vervoerde goederen (28.540 kg) en alleszins dat de door de bestemmeling gemaakte kosten bij toepassing van art. 23, lid 4 in fine als gevolgschade dienden te worden beschouwd en dus niet verhaalbaar op de vervoerder.

 

Uitspraak:

Na een procedurele marathon (Rechtbank van Koophandel van Antwerpen, Hof van Beroep van Antwerpen, Hof van Cassatie en Hof van Beroep te Brussel) bevestigde het Hof van Cassatie op 23 januari 2014 haar eerdere uitspraak ter zake (daterend van 16 januari 2009) dat de schade aan andere dan de vervoerde goederen buiten het toepassingsgebied van het CMR-verdrag valt en door het nationaal recht wordt beheerst (wat België betreft, het algemeen verbintenissenrecht).

Dienvolgens spelen o.a. de aansprakelijkheidsbeperkingen vervat in art. 23 CMR niet.

 

Bedenkingen:

Deze uitspraak heeft evident verregaande consequenties te meer daar de dekking onder de klassieke CMR-aansprakelijkheidspolis niet langer speelt.

Ingevolge deze rechtspraak hangt de bulkvervoerder aldus een verzwaarde aansprakelijkheid boven het hoofd die hij niet op voorhand kan inschatten zodat hij er alle belang bij heeft om het ter zake toepasselijke nationale recht terzijde te schuiven en zijn aansprakelijkheid zoveel als mogelijk contractueel te beperken of uit te sluiten.

Dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Immers, geschreven contracten zijn in de vervoerswereld eerder uitzondering dan regel zodat de in rechte aangesproken bulkvervoerder in regel zal moeten terugvallen op de in zijn algemene voorwaarden neergeschreven exoneratieclausules wat ons meteen bij het heikel punt van de tegenstelbaarheid van algemene voorwaarden brengt.

De eerder strenge eisen die de Belgische rechtspraak dienaangaande stelt – mogelijkheid tot kennisname door de contractspartij en blijk van aanvaarding door deze laatste – maakt dat deze bepalingen van de algemene voorwaarden vaak dode letter blijven en de vervoerder er zich bijgevolg niet op kan beroepen.

De bulkvervoerder doet er dan ook goed aan om zijn contractsvoorwaarden in het licht van deze rechtspraak te herzien en waar nodig aan te passen en bij de contractsluiting aan zijn opdrachtgever voor te leggen.