Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: overeenkomsten

WAT IS "TRANSPORTSCHADE"?

Emma Tamsin

De vervoerder is aansprakelijk wanneer zich schade aan de goederen voordoet tussen inontvangstneming en aflevering van de goederen”. Dit algemene CMR-beginsel (dat in feite ook voor alle andere transportmodi opgaat) is op zichzelf simpel genoeg.

Desalniettemin kunnen boeken volgeschreven worden over de reikwijdte van deze eenvoudige zin: wie is vervoerder, wanneer worden goeden in ontvangst genomen en wanneer zijn ze afgeleverd?

Deze bijdrage handelt over het begrip “beschadiging”, dat immers in het CMR-Verdrag zelf niet gedefinieerd is en waarover dan ook al talloze discussies ontstonden, zoals bijvoorbeeld:

-          Is een gekoelde lading die tijdens het vervoer opwarmt beschadigd, louter doordat zij niet meer aan de temperatuurnormen van de ladingbelanghebbenden voldoet (terwijl vaststaat dat zij binnen specificaties van de voedselautoriteiten valt)?

-          Kan een lading automatisch als een total loss beschouwd worden wanneer verstekelingen in de vrachtwagen worden aangetroffen?

-          Kan gesproken worden van “schade” als een lading flyers, hoewel fysiek volkomen intact, pas na het event arriveert?

 

Vraag is voor wélke beschadiging de vervoerder juist moet instaan.

Grofweg lijkt uit de gezaghebbende rechtsleer naar voor te komen dat schade van de goederen minstens enige aantasting (in welke zin dan ook) van die goederen impliceert waardoor deze niet (langer) kunnen gebruikt worden waarvoor ze bestemd waren.

Zonder enige aantasting lijkt er nooit van schade gesproken te kunnen worden en contracteren dat de vervoerder ook aansprakelijk zal zijn wanneer de goederen in fysiek perfecte staat aankomen, maar (bijvoorbeeld) in waarde verminderd zijn omdat de (afzet)markt in de loop van het transport gewijzigd is, is dan ook in strijd met het CMR, dat steeds uitgaat van aansprakelijkheid wegens “schade” (aantasting) of verlies (het “kwijt” zijn) (of vertraging).

M.a.w. economische, politieke of andere marktomstandigheden of omgevingsfactoren die maken dat de goederen tijdens de reis – doch vreemd aan dit vervoer – in waarde verminderen maakt geen (op de vervoerder verhaalbare) schade uit.

Anderzijds kan men uit de ter zake bestaande rechtspraak wel afleiden dat wanneer zich tijdens het transport een incident heeft voorgedaan (bijvoorbeeld aanwezigheid van verstekelingen) en geen 100% absolute zekerheid is dat de goederen niet zijn aangetast, vaak een strenge houding wordt ingenomen ten aanzien van de vervoerders en vrij gemakkelijk wordt besloten tot zelfs integrale schade.

Kern van deze rechtspraak blijkt de “onzekerheid” te zijn omtrent de gesteldheid van de goederen en meer bepaald het gebrek aan bewijs dat deze goederen niet zouden zijn aangetast.

Nochtans dient opgemerkt dat hierop ook wel wat nuances lijken gemaakt te worden (bijvoorbeeld indien het incident dermate beperkt is en de gevolgen exuberant hoog).

Ook dient de goederenbelanghebbende uiteraard steeds te handelen als een “normaal zorgvuldig schadelijder” en te handelen in overeenstemming met de op hem rustende schadebeperkingsplicht. Mocht blijken dat hij zo niet heeft gehandeld, dan zou (onder meer) een beroep kunnen gedaan worden op de gedeelde aansprakelijkheid als voorzien in art. 17 lid 5 CMR.

Op basis van deze rechtspraak en doctrine kan men dan ook besluiten dat

 -             er sprake is van een beschadiging wanneer zich tijdens het transport een waardeverminderende verandering van de goederen zich voordoet waardoor de vervoerder deze niet meer in dezelfde toestand/kwaliteit als diegene waarin hij ze in ontvangst heeft genomen kan afleveren.

-             de vervoerder met alle middelen van recht het bewijs kan leveren dat er zich geen waardeverminderende verandering van het goed heeft voorgedaan en er dus geen wijziging aan de toestand/kwaliteit, in vergelijking met deze op het ogenblik dat hij het goed in ontvangst nam, voorligt).

 

Een bijkomende vraag is of partijen op voorhand overeenkomsten kunnen afsluiten nopens de kwalificatie van “schade”.

Het CMR-Verdrag verbiedt overeenkomsten die in strijd zijn met wat in het Verdrag bepaald wordt, doch dit impliceert evenzeer dat wat niet letterlijk in het Verdrag bepaald is, door partijen kan worden ingevuld.

Een aantal elementen spelen hier een rol:

-          Ten eerste voorziet het Verdrag, zoals hierboven reeds uiteengezet, geen definitie van het begrip “schade”. Een contractueel vastgelegde invulling daarvan lijkt dus in beginsel mogelijk.

-          Echter, voor wat betreft (monetaire) aansprakelijkheidsbeperkingen voorziet het CMR-verdrag dat vergoedingen, hoger dan de in artikel 23 gestelde limieten (afgezien van de regeling voorzien in artikel 29 CMR) enkel op de vervoerder kunnen verhaald worden indien partijen een overeenkomst sluiten op grond van artikelen 24 en 26 CMR.

-          Bovendien verbiedt artikel 41, lid 2 CMR ieder beding dat de bewijslast voor de onder het CMR-verdrag vallende vorderingen verschuift.

Het lijkt dan ook aanvaardbaar dat partijen contractueel vastleggen dat in beginsel bepaalde incidenten automatisch als schade zullen aanzien worden (bijvoorbeeld een verhoging van de ladingtemperatuur hoewel niet in strijd met veterinaire eisen), doch in zoverre

(a) dergelijke clausule zou impliceren dat de vervoerder gehouden is om zich zonder meer te onthouden van elke discussie en geen tegenbewijs zou kunnen aanleveren;

(b) en/of hij zich in dergelijk geval niet op de limitatie van art. 23 CMR zou kunnen beroepen;

staat het vast dat deze in strijd is met het in het CMR-verdrag vastgelegde aansprakelijkheidsregime.

HET REGISTERPAND ALS PRAKTIJKGERICHTE TOOL

Emma Tamsin

De “nieuwe” pandwet werd reeds op 11 juli 2013 afgekondigd, doch zij trad uiteindelijk pas op 1 januari van 2018 in werking.

De essentie blijft onveranderd: de schuldenaar geeft aan de schuldeiser een goed af, dat die laatste bijhoudt totdat de schuldenaar zijn schuld voldaan heeft. Het goed geldt dus niet als een betaling maar wel als een zekerheid: als de schuldenaar niet op tijd betaalt, dan mag de schuldeiser het goed uitwinnen.

Een van de belangrijkste wijzigingen, is dat geen effectieve buitenbezitstelling van de goederen meer nodig is: vroeger diende de schuldenaar de goederen steeds fysiek te overhandigen aan de schuldeiser. Uiteraard blijft dit thans als mogelijkheid bestaan en dan wordt in beginsel gesproken van een “vuistpand”.

Volgens de nieuwe wet kunnen de schuldeiser en schuldenaar echter ook louter een papieren pandovereenkomst sluiten, waar de goederen niet daadwerkelijk fysiek moeten worden overhandigd, maar de overeenkomst wel wordt geregistreerd. Dit is dan het zogenaamde “registerpand”.

Belangrijk is wel dat de wet steeds een overeenkomst dienaangaande vereist. Die overeenkomst is in beginsel consensueel, maar wil men het bestaan van die overeenkomst bewijzen, dan zal een geschrift nodig zijn.

Bovendien moet dit geschrift een aantal elementen verplicht bevatten:

  1. Ten eerste moet daarin beschreven worden welke goederen met het pand bezwaard worden

    De rechtsleer meent dat het voldoende moet zijn dat de met het pand bezwaarde goederen “redelijkerwijze identificeerbaar” zijn door de belanghebbende.

    De overeenkomst kan trouwens ook betrekking hebben op toekomstige goederen.

  2. Ten tweede moet ook beschreven worden welke schuldvorderingen juist gewaarborgd worden.

    De vereiste dat de schuldvordering nauwkeurig moet beschreven zijn, verhindert niet dat het pandrecht kan gevestigd worden tot zekerheid van een of meer bestaande of toekomstige schuldvorderingen.

  3. En ten derde moet ook een maximaal bedrag (een soort van plafond) van de waarborg bepaald worden.

    Wanneer op het moment van het sluiten van de pandovereenkomst het maximale bedrag nog niet kan worden ingeschat wordt aangeraden om een hoog bedrag, waarvan men zo goed als zeker is dat het volstaat om de eventuele schuld te voldoen, op te geven als plafond.


Wat betreft tegenstelbaarheid is er een belangrijk onderscheid tussen het vuistpand en het registerpand.

Het vuistpand is immers (net als vroeger) tegenwerpelijk aan derden wanneer het goed in de feitelijke macht van de schuldeiser of van een overeengekomen derde wordt gesteld.

Bij een registerpand moet de tussen partijen gesloten overeenkomst m.o.o. tegenwerpelijkheid geregistreerd worden bij het nationale pandregister.

Ook de datum waarop de overeenkomst wordt geregistreerd is van belang nu een “ouder” (leer: eerder geregistreerd)  pandrecht voorrang heeft op alle jongere rechten op de verpande goederen.

Voorlopig geldt hier één uitzondering, met name voor wat betreft schuldeisers die reeds vóór 1 januari 2018 een pand op de handelszaak hadden verkregen, en die nog tot 31 december 2018 de tijd hebben om dit pand te registreren in het pandregister zonder verlies van rang.

Er zijn daarnaast nog een paar voorrechten die de pandhouder, ongeacht de datum waarop het pand wordt gevestigd, moet laten voorgaan, met name de retentor tot behoud van de zaak, de verkoper onder eigendomsvoorbehoud, onderaannemers die ten aanzien van de goederen werken hebben uitgevoerd, en een paar algemene voorrechten, zoals deze uit hoofde van begrafeniskosten, gerechtskosten, etc.


Ook wat betreft de uitwinning heeft de wetgever een aanzienlijke vereenvoudiging van het oude systeem voorzien.

Waar vroeger verplicht toestemming aan de rechter moet gevraagd worden, is dit thans niet langer vereist. Er zijn nu twee opties:

 -          Ofwel kunnen partijen reeds in de overeenkomst bedingen hoe er zal uitgewonnen worden, indien dit nodig zou blijken;

-          Ofwel kan de wettelijke regeling gevolgd worden waarbij louter een kennisgeving aan de pandgever moet verzonden worden, gevolgd door een wachttijd van 10 dagen.

Na afloop van die termijn mag de pandhouder een gerechtsdeurwaarder gelasten met openbare of onderhandse verkoop.

 Slechts indien er discussie zou ontstaan over deze gang van zaken, zal de rechter alsnog gevat kunnen worden.