Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: spoorvervoer

VERHOUDING TUSSEN VERKOOPOVEREENKOMST EN VERVOEROVEREENKOMST

Emma Tamsin

Een vervoersovereenkomst is meestal geen volstrekt op zichzelf staande overeenkomst. Doorgaans wordt vervoer georganiseerd naar aanleiding van een eerder afgesloten koop-verkoopovereenkomst: de goederen moeten immers op één of andere wijze van bij de verkoper tot bij de koper geraken. 
Máár, en dit is essentieel, de vervoersovereenkomst moet daarbij wel steeds duidelijk onderscheiden worden van de koop-verkoopovereenkomst. Beide kennen hun eigen partijen en hun eigen verplichtingen.
De meeste vervoersvormen worden (dwingend) beheerst door een specifiek daarop toepasselijk internationaal rechtsregime (CMR voor wegvervoer, CIM voor spoorvervoer en Hague-Visby/Rotterdam Rules voor zeevervoer), al dan niet aangevuld met eigen voorwaarden of andere contractuele afspraken.
Bij verkoopovereenkomsten hebben partijen meer contractvrijheid en kunnen talrijke vormen van afspraken gemaakt worden, maar voor het logistieke aspect ervan (wie staat in voor organisatie van en risico voor vervoer) wordt veelal geopteerd voor het gebruik van Incoterms.

We zien evenwel vaak dat het onderscheid tussen het vervoerscontract zelf en de incoterm (die deel uitmaakt van het verkoopcontract) niet altijd goed gemaakt of begrepen wordt.


Een eerste voorbeeld betreft de vraag door wie de vervoerder kan worden aangesproken.
Bij niet alle incoterms valt de verplichting tot organisatie van het transport samen met het risico voor dat transport. Bijvoorbeeld bij CPT, CIP, CFR & CIF staat de verkoper in voor de bekostiging van een deel of het geheel van het transport,  maar draagt de koper wel het risico indien tijdens dit transport iets mis gaat.
Dit wil zeggen dat indien de lading tijdens het vervoer beschadigt geraakt, de verkoper toch aan zijn leveringsplicht voldaan heeft en de koper dus de werkelijke schadelijder is. 
Desalniettemin is de verkoper in principe de enige contractpartij van de vervoerder en beschikt dan ook enkel hij over een vorderingsrecht tegen die vervoerder.

In het verleden hebben vervoerders getracht om in dergelijke omstandigheden (discrepantie tussen plicht tot organisatie en last van het risico) hun verantwoordelijkheid te ontlopen door aan te voeren dat de verkoper, ondanks het feit dat deze (in beginsel) hun enige contractant is, niet over een vorderingsrecht beschikt, nu hij conform de gebruikte incoterm geen werkelijke schadelijder kan zijn. 
Deze argumentatie werd echter afgeketst door het Hof van Cassatie omdat, zoals hierboven gesteld, beide contracten (vervoer en verkoop) van elkaar te onderscheiden zijn, en de vervoerder (die enkel optreedt binnen de vervoerovereenkomst) zich niet kan beroepen op de bepalingen van de verkoopovereenkomst (wie draagt het risico?) om zich van zijn aansprakelijkheid te ontheffen. Hij blijft ten aanzien van zijn contractpartij verantwoordelijk, zelfs al is die laatste volgens de verkoopovereenkomst niet de werkelijke schadelijder.


Een tweede voorbeeld betreft de vraag wie in moet staan voor welke accessoire verbintenissen bij het vervoer. 
Het CMR regelt bijvoorbeeld niet wie moet instaan voor laden, lossen en stuwen en partijen kunnen hierover zelf afspraken maken.
Stel: een verkoper verkoopt ex works (EXW), wat impliceert dat hij het verkochte/te vervoeren goed louter in zijn magazijn ter beschikking moet stellen aan de koper en geen verdere verplichtingen heeft. Die laatste moet een vervoerder aanstellen. Die vervoerder bedingt echter ten aanzien van zijn contractant (de koper) dat de verlader (degene die de goederen ter beschikking stelt, in casu de verkoper) instaat voor belading en stuwing. Hij komt bij de verkoper aan en die laatste, die uiteindelijk specialist is met betrekking tot de door hem verkochte goederen, laadt dan toch de goederen op de vrachtwagen (hoewel daartoe niet verplicht). Tijdens die belading valt het verkochte goed en geraakt dit beschadigd.
Tegen wie kan de schade lijdende koper zich nu richten?

Belangrijk is dat er contractueel ten aanzien van de verkoper in se niets verandert: deze laatste moet immers conform de verkoopovereenkomst niet instaan voor de belading. Doet hij dit toch (op vrijwillige basis) dan wordt dit geacht te zijn gebeurd voor rekening van de koper heeft die laatste geen verhaal op de koper. (OPGELET: dit staat geheel los van de strafrechtelijke aansprakelijkheid die elke verlader heeft voor de belading van de vrachtwagen).
Maar ook ten aanzien van de vervoerder zal de koper zich niet kunnen richten: koper en vervoerder hebben immers afgesproken dat die laatste niet moet instaan voor belading, zodat de vervoerder niet aansprakelijk kan gesteld worden voor iets dat tijdens die belading gebeurd is.
De koper draagt dan ook het uiteindelijke risico voor deze handelingen.

Vele andere vraagstukken zijn denkbaar maar bij de oplossing daarvan moet altijd onderzocht worden welke overeenkomst juist speelt en welke de verplichtingen onder die concrete overeenkomst zijn, los van de andere overeenkomsten die daarmee mogelijks verbonden zijn.