Contact Us

Use the form on the right to contact us.

You can edit the text in this area, and change where the contact form on the right submits to, by entering edit mode using the modes on the bottom right. 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

Actualiteit

Filtering by Tag: Verjaring

EEN SCHRIFTELIJKE VORDERING VERSTUURD VOOR AANVANG VAN DE VERJARING SCHORST (TOCH)...

Emma Tamsin

Reeds 20 jaar hielden de Antwerpse rechtbanken en Hoven de redenering aan dat een schriftelijke vordering verstuurd voor aanvang van de verjaring, geen schorsende werking kon hebben (net zo min als een stuiting voor aanvang van de termijn enige uitwerking kon krijgen).

Zulks werd voor het eerst bevestigd in een vonnis van de Antwerpse rechtbank van Koophandel van 22 december 1995 (gepubliceerd in RHA. 1996, p. 235).
Een schriftelijke vordering die ingediend wordt voordat de goederen krachtens art. 20, § 1 CMR als verloren mogen worden beschouwd en dus voordat de verjaring volgens art. 32, § 1, b CMR is beginnen te lopen, schorst de verjaring niet.”

De Rechtbank baseerde zich op een bedenking die Meester Libouton nog vele jaren eerder had gemaakt:
"On peut s’étonner de voir suspendue une prescription qui n’a pas encore commencé à courir" (gepubliceerd in J.T. 1972, p. 404, nr. 89, voetnoot 17).

Nadien bevestigde de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen deze zienswijze meermaals, onder andere bij vonnis van 30 januari 1998, (gepubliceerd in T.B.H. 1998, 771) en bij vonnis van 16 mei 2003 (gepubliceerd in ETL 2003, 360).

Ook het Antwerpse Hof heeft zich reeds meermaals over de kwestie moeten buigen en trad de Rechtbank van Koophandel bij, zowel in gevallen van schorsing van de verjaring (arrest van 24 oktober 2005 – gepubliceerd in RHA 2007, 343) als in gevallen van stuiting van de verjaring (arrest 4 mei 2009, niet gepubliceerd).

Echter, in haar arrest d.d. 23 maart 2015 (gepubliceerd in TBH 2015, afl. 5, 477) heeft het Hof van Beroep van Antwerpen deze rechtspraak kennelijk verlaten en geoordeeld dat, indien een schorsingsdaad plaatsvindt vooraleer de verjaring effectief was aangevangen, de schorsing zelf een aanvang neemt op het ogenblik dat de verjaringstermijn aanvangt, zodat de verjaringstermijn aldus ab initio geschorst is.

Het Hof van Cassatie heeft nu bij arrest van 12 mei 2016 deze stellingname onderschreven op basis van de volgende overweging:
Uit [art. 32.2 CMR] kan niet worden afgeleid dat een schriftelijke vordering die werd ingesteld voordat de verjaring is beginnen lopen, geen schorsende werking heeft, met dien verstande dat deze schorsing slechts uitwerking krijgt vanaf het ogenblik dat de verjaringstermijn een aanvang neemt. Er anders over oordelen zou het vertrouwen verschalken van de ladingbelanghebbende die na het schadegeval zonder verwijl een schriftelijke vordering heeft ingesteld voordat de verjaring is beginnen verlopen.

Of “het verschalken” van het vertrouwen van de ladingbelanghebbende een juridische redenering is, valt te betwijfelen. (Iedereen wordt geacht de wet te kennen, behalve de ladingbelanghebbenden?)
Tegelijkertijd roept deze redenering ook nieuwe vragen op.
Wat immers indien de vordering een poos later maar nog steeds voor de aanvang van de verjaringstermijn zou zijn afgewezen?
Loopt er dan alsnog een schorsing van de termijn na aanvang van de verjaringstermijn, of krijgt de schorsing dan toch geen uitwerking?
Of er met deze uitspraak meer rechtszekerheid is gecreëerd, is dan ook ten zeerste de vraag.

DE VERJARING VAN VORDERINGEN UITGAANDE VAN DE VERVOERDER ONDER HET CMR-VERDRAG

Emma Tamsin

Conform art. 1 van het CMR-verdrag is dit verdrag is van toepassing op “iedere overeenkomst onder bezwarende titel voor het vervoer van goederen over de weg door middel van voertuigen (…).
Bij toepassing van art. 51, § 1 de wet van 15 juli 2013 (de nationale vervoerwet) worden de bepalingen van het CMR-verdrag ook van toepassing verklaard op nationaal (Belgisch) vervoer.
Aldus beoogt het CMR-verdrag een regeling van aanspraken die kunnen ontstaan tussen de vervoerder (hoofd-, onder- en opvolgend vervoerder) enerzijds en de goederenbelanghebbenden (afzender dan wel bestemmeling) anderzijds.

Art. 32 van het CMR voorziet een specifieke verjaringstermijn, die er grosso modo op neerkomt dat alle rechtsvorderingen voortvloeiende uit een aan het Verdrag onderworpen wegvervoer, verjaren na één jaar, waarbij het aanvangspunt verschilt naargelang het soort vordering, namelijk:
a) ingeval van gedeeltelijk verlies, beschadiging of vertraging, vanaf de dag, waarop de goederen zijn afgeleverd
b) ingeval van volledig verlies, vanaf de dertigste dag na afloop van de bedongen termijn of, bij gebreke van zulk een termijn, vanaf de zestigste dag na de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder
c) in alle andere gevallen, na afloop van een termijn van drie maanden na de sluiting van de vervoerovereenkomst.

Een samenlezing van art. 1 en art. 32 CMR doet besluiten dat de in art. 32, lid 1 CMR opgenomen verjaringsregeling toepassing zal vinden op alle aanspraken die tussen de hoger vermelde onderscheiden partijen – allen partij bij het vervoercontract – en voortvloeiende uit de aan het CMR-verdrag onderworpen vervoerovereenkomst, kunnen ontstaan.
Vooral littera c) als zogenaamde restcategorie speelt daarbij een vaak verrassende rol en heeft al menig procespartij verschalkt.
Het is dan ook zinvol om even dieper op deze bepaling in te gaan nu deze verjaringsregeling vooral de vorderingen uitgaande van de vervoerder treft.
Waar de in art. 32, lid 1, a en b CMR opgenomen verjaringsregeling geldt voor de schadevorderingen van de goederenbelanghebbende ingevolge beschadiging dan wel verlies van de lading of vertraging in de aflevering t.a.v. vervoerder, speelt art. 32, lid 1, c CMR “in alle andere gevallen”.

Dienovereenkomstig geldt deze verjaringstermijn ook voor de volgende in het CMR-verdrag voorziene vorderingen ter beschikking van de vervoerder:

- de vordering op basis van art. 7, lid 1 CMR dat voorziet in een aansprakelijkheid van de afzender voor de schade die de vervoerder lijdt ingevolge de onvolledigheid of onnauwkeurigheid van aanduidingen of instructies op de CMR-vrachtbrief.
- de vordering op basis van art. 10 CMR dat bepaalt dat de afzender jegens de vervoerder aansprakelijk is voor de schade aan personen, materiaal of aan andere goederen en de kosten, welke voortspruiten uit de gebrekkige verpakking van de goederen.
- de vordering op basis van art. 11, lid 2 CMR dat stelt dat de afzender jegens de vervoerder aansprakelijk is voor alle schaden, die kunnen voortspruiten uit de afwezigheid, onvolledigheid of onregelmatigheid van bescheiden en inlichtingen met het oog op de voldoening aan douane- en andere formaliteiten, dit behoudens in geval van schuld van de vervoerder.
- de vordering op basis van art. 16, lid 1 CMR dat voorziet dat de vervoerder recht heeft op vergoeding van de kosten, welke zijn verzoek om instructies of de uitvoering van ontvangen instructies tijdens het transport voor hem meebrengt, mits deze kosten niet door zijn schuld zijn ontstaan.
- de vordering op basis van art. 22, lid 2 CMR dat stipuleert dat de afzender jegens de vervoerder aansprakelijk is voor alle kosten en schaden, voortvloeiende uit de aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf van gevaarlijke goederen.

De rechtspraak heeft echter verder invulling gegeven aan deze bepaling en het toepassingsgebied ruim(er) gedefinieerd (dan louter de vorderingen vermeld in het CMR-verdrag)

- Zo werd bijvoorbeeld geoordeeld dat ook de terugbetaling aan de vervoerder van de door deze laatste voorgeschoten douanekosten voor het verrichten van douaneformaliteiten onder de verjaringsregeling ex art. 32, lid 1, c CMR valt.
- Ook de vordering uit hoofde van schade aan een heftruck waarmee de goederen waren geladen en de schadevordering wegens beweerd verlies van gebruikte pallets zijn hierin begrepen.
- Voertuigschade valt eveneens onder deze verjaringstermijn.
- Evenzo vallen onder deze verjaringsregeling de invordering door de vervoerder van de vrachtpenningen.
Hierbij dient men wel voor ogen te houden dat het sluiten van de vervoerovereenkomst niet (altijd) samenvalt met het opstellen van de CMR-vrachtbrief en al zeker niet bij het opstellen van de vrachtfactuur die steevast na het uitvoeren van het transport zal worden uitgeschreven.
Men zal steeds in concreto dienen na te gaan wanneer de vervoerovereenkomst (bijvoorbeeld door het geven en/of aanvaarden van de transportopdracht, al of niet via e-mail dan wel fax) werd afgesloten.

De vervoerder zal er dienvolgens ook goed aan doen om deze termijn (de facto van 15 maanden) goed in het oog te houden en tijdig de nodige gerechtelijke actie tegen zijn contractspartij op te starten, te meer nu (in tegenstelling tot het eerste lid) de in het tweede lid van art. 32, CMR opgenomen schorsingsregeling door middel van de zogenaamde schriftelijke vordering louter betrekking heeft op vorderingen (uit hoofde van ladingschade/verlies dan wel vertraging) uitgaande van de goederenbelanghebbende en de vervoerder zijn vordering ten aanzien van de goederenbelanghebbende dus niet kan schorsen door middel van een dergelijke schriftelijke vordering.